Onderzoek

Waarom denkt Pensioenverlies dat zij kans van slagen heeft in een procedure tegen de Nederlandse Staat?

Er is nog veel onderzoek nodig om te achterhalen wat er allemaal precies is gebeurd. Voordat we een procedure kunnen beginnen moet eerst een grondig onderzoek worden uitgevoerd door deskundigen. Hoe kan het zijn dat in een land als Nederland de overheid geld van haar eigen werknemers gebruikt om haar financiële problemen op te lossen? Wat is er destijds precies gebeurd, wat zijn de afspraken die zijn gemaakt en wie heeft hier toestemming voor gegeven? Alleen als we de onderste steen boven krijgen, kunnen we aantonen dat hier sprake is van onrechtmatig handelen. En alleen dan kunnen we ervoor zorgen dat dit wordt rechtgezet.

Pensioenverlies wil de Staat dwingen tot het terugbetalen van het “geleende” geld door middel van een rechterlijke procedure. In deze procedure kunnen de volgende stellingen aan de orde komen.


In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw hebben de kabinetten Lubbers de wettelijk verplichte premie, zoals vastgelegd in de Wet ABP, verlaagd en dit vervolgens middels “uitnamewetten” achteraf gelegitimeerd. Met deze wetten zal de Nederlandse Staat haar beleid van toen trachten te rechtvaardigen.

Weerlegging: De rechter mag wetten niet toetsen aan de grondwet, zodat strijdigheid van de uitname wetten met de grondwet niet kan worden getoetst. De rechter mag wetten echter wel toetsen aan internationale verdragen. De uitname wetten zijn in de visie van Pensioenverlies op verschillende gronden – denk o.a. aan strijd met het non-discriminatie- en het gelijkheidsbeginsel - in strijd met Internationale Verdragen. Het is immers overduidelijk dat op deze manier alleen ambtenaren moesten opdraaien voor de overheidstekorten! Als deze stelling in rechte standhoudt, staat daarmee vast dat het ontnemen / onthouden van gelden aan het ABP onrechtmatig is geweest. Recente procedures tegen de Nederlandse Staat tonen aan dat de macht van de staat wordt beperkt door internationale verdragen. Denk daarbij aan de Urgenda zaak en de uitspraak van de Raad van State inzake de stikstofreductie. In beide zaken werd de Nederlandse Staat door de rechter gedwongen zich te houden aan internationale verdragen waarin Nederland partij is.


De Nederlandse Staat zal beweren dat de rechthebbenden tot een ABP pensioen geen schade hebben ondervonden van het ontnemen / onthouden van pensioengelden.

Weerlegging: Het ABP kampt al geruime tijd met een te lage dekkingsgraad om aan de toezeggingen van de overheid aan haar medewerkers te kunnen voldoen. Als gevolg daarvan kan het ABP pensioenuitkeringen al jaren niet indexeren en moeten deze waarschijnlijk zelfs worden gekort. Daarmee staat vast dat de rechthebbenden schade hebben geleden en/of nog zullen lijden. Een schade die zou zijn uitgebleven of aanmerkelijk minder geweest, als de Nederlandse Staat de afgenomen pensioengelden zou hebben terugbetaald.


De Staat verweert zich met de stelling dat dit alles zich 40 tot 50 jaar geleden heeft plaatsgevonden zodat een vordering tot terugbetaling is verjaard.

Weerlegging: Als vaststaat dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld (zie 1) gaat de verjaringstermijn lopen op het moment dat de benadeelde rechthebbenden bekend zijn met de schade en degene die daarvoor aansprakelijk is. Afhankelijk van de omstandigheden is deze verjaringstermijn vijf of twintig jaar. Pensioenverlies is daarom van mening (zie 2) dat de verjaringstermijn nog niet is verlopen en dat een vordering tegen de Staat niet zal stranden op het passeren van een verjaringstermijn.